Helgers Advocaten

Het belang van termijnbewaking bij vreemdelingenbewaring

In deze blog wordt een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag, zitting houdende in Roermond, van 7 februari 2018 besproken. De uitspraak heeft betrekking op een door mr. Raafs ingesteld beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring van een cliënt van hem die niet legaal in Nederland verbleef.

Veel mensen zullen bij bewaring of detentie vooral denken aan het uitzetten van een gevangenisstraf of de voorlopige hechtenis na aanhouding door de politie. De wet biedt onder omstandigheden echter ook de mogelijkheid om asielzoekers of personen die niet, of niet langer legaal in ons land verblijven, te detineren in een detentiecentrum. Dit wordt de vreemdelingenbewaring genoemd.

Iemand die in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, kan daartegen beroep instellen bij de rechtbank. Omdat vrijheidsontneming een grote inperking van de bewegingsvrijheid oplevert, schrijft de wet voor dat de rechtbank automatisch in kennis moet worden gesteld van de oplegging van de vreemdelingenbewaring. Dit dient uiterlijk op de 28e dag na de oplegging van de bewaring te geschieden (artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Aangenomen wordt dan dat beroep tegen de vreemdelingenbewaring is ingesteld; dus ook als de betrokkene niet zelf beroep heeft ingediend.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of iemand terecht in vreemdelingenbewaring is gesteld. Indien de bewaring onrechtmatig wordt bevonden, wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven en bestaat de mogelijkheid tot toekenning van schadevergoeding (artikel 94, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Als de bewaring rechtmatig is, zal de vreemdelingenbewaring voortduren.

Zolang de vreemdelingenbewaring voortduurt, kan de rechtbank gevraagd worden om de rechtmatigheid van de voortduring van de vrijheidsontneming te beoordelen. Dit wordt ook wel een vervolgberoep genoemd. De rechtbank beoordeelt dan of de vreemdelingenbewaring, die aanvankelijk terecht opgelegd is, nog altijd gerechtvaardigd is.

De uitspraak die in dit artikel besproken wordt, ziet toe op zo’n vervolgberoep. Het gaat om een vreemdeling van Algerijnse afkomst die geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Hem werd de verplichting opgelegd om Nederland te verlaten en terug te keren naar Algerije, maar deed dat vervolgens niet. De rechtbank oordeelde aanvankelijk bij uitspraak van 22 december 2017 dat de vreemdelingenbewaring terecht was opgelegd. De vrijheidsontneming van deze cliënt van Algerijnse nationaliteit werd door de rechtbank rechtmatig bevonden. Ook in hoger beroep werd geoordeeld dat cliënt terecht in bewaring werd geplaatst.

Op 15 januari 2018 is namens cliënt een vervolgberoep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring ingesteld. Op 19 januari 2018 heeft mr. Raafs aangegeven waarom hij van mening is dat de cliënt moet worden vrijgelaten. Vervolgens bleef het lange tijd stil. Om die reden heeft mr. Raafs op 6 februari 2018 de rechtbank in een aanvullende schriftelijke reactie laten weten dat hij van mening is dat de rechtbank te lang gewacht heeft met het doen van uitspraak op het vervolgberoep. Hij heeft onder meer gewezen op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – kort gezegd de hoogste nationale rechter op het gebied van vreemdelingenbewaring – waaruit volgt dat geen sprake meer is van een spoedige beslissing op een vervolgberoep, indien niet binnen een termijn van 21 dagen uitspraak op dat beroep wordt gedaan.

De rechtbank heeft twee dagen na de aanvullende schriftelijke reactie van mr. Raafs alsnog uitspraak op het vervolgberoep gedaan. Zij erkent dat zij verzuimd heeft om tijdig uitspraak op het vervolgberoep te doen. Volgens de rechtbank is daarom geen sprake meer van een spoedige beoordeling van de rechtmatigheid van de voortduring van de vreemdelingenbewaring. Omdat iemand die in vreemdelingenbewaring is gesteld, recht heeft op zo’n spoedige beoordeling, en daar in dit geval geen sprake meer van was, oordeelt de rechtbank dat de vrijheidsontneming na ommekomst van de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gestelde termijn van 21 dagen onrechtmatig geworden is. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of de voortduring van de vreemdelingenbewaring op zichzelf genomen wel rechtmatig geacht moet worden. De vreemdelingenbewaring is opgeheven en cliënt heeft een schadevergoeding gekregen.

Het is niet duidelijk wat de rechtbank zou hebben geoordeeld wanneer zij wel tijdig uitspraak had gedaan. Omdat zij hier geen overwegingen aan gewijd heeft in haar uitspraak, doet dat vermoeden dat de rechtbank de voortduring van de vreemdelingenbewaring wel rechtmatig vond. Het had anders op de weg van de rechtbank gelegen om de voortduring van de vreemdelingenbewaring vanaf een eerder moment dan de hiervoor genoemde termijn van 21 dagen onrechtmatig te achten. Het beoogde resultaat blijft niettemin hetzelfde: de cliënt is in vrijheid gesteld en dáár was het om te doen.