Helgers Advocaten

Bijstandsuitkering – alleenstaande norm of duurzaam gescheiden leven?

Wanneer iemand een bijstandsuitkering ontvangt als alleenstaande en vervolgens in het huwelijksbootje stapt, dan heeft dat gevolgen voor zijn of haar uitkering. Voor het vaststellen van het recht op een uitkering en de hoogte daarvan dient immers ook rekening te worden gehouden met het inkomen of het vermogen van een echtgenoot of een samenwonende partner. De gedachte daarachter is dat men gezamenlijk een huishouden voert ofwel een zorgplicht heeft naar elkaar toe. Maar hoe zit dat wanneer een uitkeringsgerechtigde trouwt met een in het buitenland woonachtige echtgenoot/echtgenote?

Onlangs speelde er een zaak met een vrouw die een uitkering ontving op grond van de Participatiewet (hierna: bijstandsuitkering) en recentelijk was getrouwd met haar echtgenoot die in Duitsland woont en werkt. Haar echtgenoot beschikte enkel over een Duitse verblijfsvergunning asiel en kon niet naar Nederland verhuizen om bij zijn echtgenote te komen wonen. De vrouw zelf woonde al jaren in Nederland, haar kinderen woonden in Nederland en ze was dan ook niet van plan om naar Duitsland te verhuizen.

Heeft een huwelijk met iemand die in het buitenland woont gevolgen voor de hoogte of het recht op een bijstandsuitkering? Aan de hand van de hierboven beschreven casus zal in deze blog het antwoord op die vraag centraal staan.

Recht op een bijstandsuitkering

Een persoon heeft recht op een bijstandsuitkering wanneer er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:

  • woont rechtmatig in Nederland
  • is achttien jaar of ouder
  • heeft niet genoeg inkomen of eigen vermogen om in zijn levensonderhoud te voorzien (maximaal toegestane eigen vermogen voor een alleenstaande is € 6.020 en bij een gezamenlijke huishouding of alleenstaande ouder € 12.040,-)
  • kan geen beroep doen op een andere uitkering
  • zit niet in de gevangenis of in een huis van bewaring
  • doet mee aan activiteiten die de gemeente aanbiedt om werk te vinden en
  • heeft basiskennis van de Nederlandse taal of doet moeite om de Nederlandse taal beter te leren beheersen

Wanneer iemand samen met een echtgenoot woont of een gezamenlijke huishouding voert, dan telt het inkomen en het eigen vermogen van deze persoon mee voor het vaststellen van het recht op een uitkering en de hoogte daarvan.

Terug naar de casus

In het geval van de vrouw in onze casus was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar zij woonde (hierna: het college) van mening dat de in Duitsland wonende echtgenoot was aan te merken als een niet-rechthebbende partner. Dat wil zeggen een partner die zelf niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. De echtgenoot werkte in Duitsland en verdiende het daar geldende minimumloon. Hij kwam zelf dus niet in aanmerking voor een uitkering.

Het college besloot de uitkering van de vrouw, die een uitkering ontving aan de hand van de alleenstaande norm, te wijzigen vanwege haar huwelijk en de inkomsten van haar echtgenoot. Het college besloot dat de vrouw per ingangsdatum van het huwelijk recht had op 50% van de norm die zou gelden indien haar partner wel recht zou hebben op een bijstandsuitkering en dat zij geen kostendelende medebewoner zou hebben. Verder besloot het college dat er rekening gehouden diende te worden met de inkomsten van de echtgenoot in Duitsland.

Dit resulteerde erin dat de vrouw in plaats van een bijstandsuitkering naar de norm voor alleenstaande nog maar een uitkering ontving van ongeveer 50 euro per maand. Aangezien zowel zij als haar echtgenoot allebei een eigen huishouden voerden, huur betaalden en andere vaste lasten hadden, betekende dit dat de vrouw in ernstige financiële problemen terecht zou komen wanneer dit besluit onherroepelijk vast zou komen te staan.

Namens de vrouw is er dan ook bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

Duurzaam gescheiden leven

De vraag die in deze casus centraal is komen te staan is of cliënte ondanks dat zij is gehuwd volgens de Participatiewet toch als ongehuwd dient te worden aangemerkt en dus alsnog een uitkering dient te ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Is dit immers het geval, dan heeft het college ten onrechte haar uitkering gewijzigd.

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (hierna: Pw) zegt hierover het volgende:

‘In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.’

Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, Pw is een ‘alleenstaande’ iemand die ongehuwd is en die geen kinderen heeft waarvoor hij dient te zorgen en niet met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad (een kind of ouder) is.

De wet zelf geeft geen definitie van wanneer er nu sprake is van duurzaam gescheiden leven. Hiervoor dient dan ook naar de rechtspraak gekeken te worden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

In het geval van de vrouw in onze casus is er geen sprake van een verbreking van de echtelijke samenleving, maar spelen er omstandigheden mee, waardoor er ondanks een huwelijk geen sprake is van samenwonen en van een echtelijke samenleving. Aangezien de echtgenoot van de vrouw geen geldig verblijfsrecht heeft in Nederland kan hij niet met haar in Nederland samenwonen en hebben zowel de vrouw als haar echtgenoot geen andere keus dan het voeren van hun eigen huishouding.

De voorlopige voorzieningenrechter oordeelde dan ook dat gezien de omstandigheden waarin de vrouw en haar echtgenoot verkeerden er vanaf de huwelijksdatum gesproken moet worden van duurzaam gescheiden leven. Hoewel bij een huwelijk de status van gehuwd het uitgangspunt moet zijn, is dit anders wanneer het tegendeel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt, zoals in deze casus dus het geval is.

Het college had dan ook naar de mening van de voorlopige voorzieningenrechter ten onrechte besloten om de uitkering van cliënte te wijzigen, althans is van mening dat dit wijzigingsbesluit geen stand zal houden en is dan ook van mening dat het college de uitkering naar de norm voor alleenstaande dient voort te zetten (ECLI:NL:RBLIM:2018:3401).

Deze uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter is te raadplegen via de volgende link: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:3401 .

Conclusie

Hoewel het uitgangspunt is dat een huwelijk invloed heeft op het recht en de hoogte van een bijstandsuitkering kan er zich dus een bijzondere situatie voordoen waarbij dit niet het geval is. Er moet dan sprake zijn van duurzaam gescheiden leven en hiervan kan sprake zijn bij een verbreking van de echtelijke samenleving of wanneer ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden het tegendeel van de status van gehuwd zijn blijkt.

Heeft uw vragen over het recht op een bijstandsuitkering wanneer uw partner in het buitenland woont of bent u het niet eens met een besluit tot afwijzing, intrekking, wijziging of terugvordering van een bijstandsuitkering, neem dan contact op met Helgers Advocaten voor een vrijblijvend intakegesprek.

Geschreven door:

mr. J.P. (Jorg) van Mulken

Advocaat