Helgers Advocaten

De verblijfsvergunning voor een pleegkind

Enige tijd geleden heeft een cliënte zich tot mij gewend nadat een door haar ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), voor haar pleegkind, was afgewezen.

Cliënte is de oudere zus en tevens pleegouder van haar in het buitenland verblijvende broertje. De ouders van cliënte en haar broertje zijn enkele jaren geleden overleden waarna haar minderjarige broertje zich zonder ouders in het buitenland bevond. Direct na het overlijden is met de overige familieleden en het broertje besloten dat cliënte zich zou gaan ontfermen over hem en is een langslepende procedure gestart in het buitenland voor het verkrijgen van de voogdij. Nadat dit, na een jarenlange kostbare exercitie, eindelijk was gelukt, heeft cliënte een aanvraag ingediend om ervoor te zorgen dat haar broertje, en dus ook pleegkind, bij haar in Nederland zou kunnen komen wonen.

Deze aanvraag is door de IND afgewezen omdat niet zou zijn gebleken dat het pleegkind in zijn land van herkomst geen aanvaarbare toekomst zou hebben. Dit klinkt als een harde en vreemde voorwaarde die hier wordt gesteld door onze overheid. Kan het dan alleen zo zijn dat een pleegmoeder haar pleegkind naar Nederland kan halen wanneer zij kan aantonen dat haar pleegkind in zijn land van herkomst een onaanvaardbare toekomst heeft?

In deze blog zal ik de voorwaarden voor deze aanvraag benoemen en bespreken hoe het uiteindelijk met de zaak van cliënte is afgelopen.

Pleegkind

Op de website van de IND staat dat, in het kader van deze aanvraag, het bij een pleegkind gaat om een buitenlands kind dat in Nederland gaat wonen in het gezin van naaste familieleden (grootouders, (half)broers, (half)zussen, zwagers, schoonzussen, ooms of tantes). Het pleegkind kan in het land van herkomst niet verzorgd worden door naaste bloed- of aanverwanten. De opname van het kind in het pleeggezin in Nederland vloeit voort uit een soort morele verplichting. Het verblijf van het pleegkind in Nederland mag er niet uitsluitend op gericht zijn om het kind hier in grotere materiële welstand op te laten groeien (https://ind.nl/Familie/Paginas/Adoptie–of-pleegkind.aspx). De IND noemt de volgende voorwaarden:

  • Uw pleegkind is jonger dan 18 jaar.
  • Uw pleegkind heeft in zijn land van herkomst geen aanvaardbare toekomst.
  • U bent de grootouder, (half)broer, (half)zus, schoonzus, zwager, oom of tante van uw pleegkind.
  • U bent Nederlander, gemeenschapsonderdaan of u hebt een geldige verblijfsvergunning.
  • Uw pleegkind heeft geen gevaarlijke, besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit blijkt uit een medische verklaring uit zijn land van herkomst.
  • U kunt uw pleegkind een goede opvoeding en verzorging geven.
  • De ouders of wettelijk vertegenwoordiger stemmen in met het verblijf van het pleegkind in uw gezin. Soms is ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst nodig. Bijvoorbeeld als dat in het land van herkomst wettelijk is bepaald. Of als de ouders overleden of onvindbaar zijn.
  • U hebt het gezag over uw pleegkind.
  • U hebt een zelfstandig voldoende en duurzaam inkomen.
  • U verklaart dat u de referent bent voor uw pleegkind

Geen aanvaardbare toekomst

In het geval van cliënte voldeed zij aan alle hierboven genoemde voorwaarden, behalve dat er volgens de IND niet zou zijn voldaan aan het niet hebben van een aanvaardbare toekomst in het land van herkomst van haar pleegkind.

Volgens de IND zou het pleegkind van cliënte prima door haar nog in het land van herkomst verblijvende tante kunnen worden opgevoed. Het maakte de IND niet uit dat cliënte het gezag over haar pleegkind heeft en in Nederland woonde, dat het pleegkind graag bij zijn pleegmoeder wil wonen en zich verwaarloosd voelt door de tante waar hij moest verblijven. Dat de tante in zijn land van herkomst eigenlijk helemaal niet voor hem wilde zorgen zou volgens de IND evenmin betekenen dat er geen aanvaardbare toekomst zou zijn.

Volgens het beleid van de IND is er voor het kind geen aanvaarbare toekomst weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden gezorgd. Nu het pleegkind bij een tante verbleef zou er geen sprake zijn van een onaanvaardbare toekomst. Volgens de IND maakt het niet uit dat deze tante het kind eigenlijk niet wil verzorgen en dit financieel ook niet kan dragen.

Artikel 8 EVRM en 3 IVRK

Gevoelsmatig zal vrijwel iedereen zich bij het horen van deze situatie afvragen waarom het niet gewoon mogelijk is dat een pleegmoeder voor haar pleegkind kan zorgen in het land waar zij woont en waarom er niet meer rekening wordt gehouden met de belangen van het kind in zo een geval.

In de bezwaarprocedure is er dan ook op gewezen dat de afwijzing in strijdt is met het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op ‘family life’ en dat er meer prioriteit moet worden toegekend aan de belangen van het pleegkind zoals ook neergelegd in artikel 3 IVRK.

Dit heeft er uiteindelijk ook toe geleid dat de IND een machtiging tot voorlopig verblijf heeft toegekend aan het pleegkind van cliënte vanwege hun recht op ‘family life’.

Hieruit blijkt dan ook dat het van belang is om een beroep te doen op het recht op ‘family life’ en op de belangen van het kind. Dit zijn rechten waar niet altijd standaard op wordt getoetst door de IND, maar die wel het verschil kunnen maken voor een afwijzing of inwilliging. Dit geldt niet alleen voor de aanvraag in het geval van een pleegkind, maar ook bij andere aanvragen die zien op familieleden en/of minderjarige kinderen.

Mocht u zelf een aanvraag willen indienen voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor een pleegkind of een ander familielid neem dan voor een vrijblijvend gesprek contact op met een van onze vreemdelingenrechtspecialisten.

 

Geschreven door:
mr. Jorg van Mulken
Advocaat