Helgers Advocaten

Een aanhouding in de strafpraktijk

“”

In de strafpraktijk maak ik regelmatig mee dat cliënten mij, al dan niet op het laatste moment, vragen bij de rechtbank of het gerechtshof een verzoek in te dienen om de behandeling van hun strafzaak uit te laten stellen. Vaak liggen daar goede redenen aan ten grondslag zoals een plotselinge ernstige ziekte, een overlijden of een reeds lang geplande vakantie die niet kosteloos geannuleerd kan worden. Soms zijn de redenen om tot uitstel te verzoeken minder steekhoudend, geen vrij gevraagd op het werk, geen zin om naar de zitting te komen of de loutere overweging dat van uitstel hopelijk afstel komt. Die laatste ballon kan ik direct doorprikken, een zaak die eenmaal middels een dagvaarding bij de rechtbank of het gerechtshof is aangebracht dient in rechte afgehandeld te worden tenzij het Openbaar Ministerie ervoor kiest de dagvaarding in te trekken maar dat is iets heel anders dan als verdachte te vragen om uitstel. In deze blog ga ik in op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2018 waarin de Hoge Raad nog eens uitlegt langs welke criteria rechters en raadsheren een aanhoudingsverzoek moeten beoordelen[1]

In de zaak waar de Hoge Raad zich over moest buigen, ging het over een verdachte die in Nederland wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit. Ondanks het feit dat hij niet beschikt over een geldig paspoort was het hem gelukt Nederland te verlaten en naar Libië af te reizen. Dit terwijl hij op dat moment ook wel wist dat in Nederland zijn strafzaak nog in hoger beroep liep. Nu de zitting in hoger beroep zou plaatsvinden gaf de verdachte via zijn advocaat aan dat hij wel bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig wilde zijn maar dat hij dat niet kon omdat hij geen geldig paspoort had en daardoor Libië niet meer kon verlaten. Zijn advocaat verzocht aanhouding van de behandeling van de zaak om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog aan een paspoort te komen om mee naar Nederland te reizen. Dit terwijl hij een eerder aanbod van het Openbaar Ministerie om hem aan reisdocumenten te helpen, had geweigerd. Het gerechtshof wees het aanhoudingsverzoek af en motiveerde daartoe dat de verdachte zichzelf willens en wetens in deze positie had gebracht en dus zelf verantwoordelijk is voor de gestelde onmogelijkheid zijn aanwezigheidsrecht te effectueren. Hier was de verdachte het mee oneens en hij liet cassatie instellen tegen deze beslissing van het gerechtshof.

De Hoge Raad herhaalt eerst nog eens de vaste regel dat een verzoek tot aanhouding ter terechtzitting kan worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde advocaat. Ook de advocaat die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging.

Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. In de zaak van de verdachte die naar Libië was dat niet aan de orde. Het gerechtshof geloofde dat verhaal op zich wel. Deze afwijzingsgrond kan bijvoorbeeld wel op gaan als de verdachte stelt niet naar de zitting te kunnen komen vanwege een operatie maar hij kan daar geen medische stukken van laten zien.

Als de rechter, zoals in de onderhavige zaak, het verhaal van de verdachte waarom hij er zelf niet bij kan zijn terwijl hij dat wel wil, gelooft dan dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.

In de onderhavige zaak overweegt de Hoge Raad dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding berust op het oordeel van het Hof dat de verdachte zich welbewust heeft geplaatst in een positie waarin het effectueren van het aanwezigheidsrecht “op belemmeringen zou kunnen stuiten”. Die enkele grond kan de afwijzing van dat verzoek niet dragen, terwijl voorts uit de motivering door het Hof van de afwijzing van dat verzoek niet blijkt dat het Hof de hiervoor genoemde afweging van belangen heeft gemaakt. De Hoge raad vond dus dat het gerechtshof het verzoek tot aanhouding niet met de “eigen schuld dikke bult” redenering had mogen afwijzen.

De conclusie die uit het genoemde arrest getrokken kan worden is mijns inziens dat het voor rechters moeilijk is een goed gemotiveerd en onderbouwd aanhoudingsverzoek af te wijzen. Indien u bent gedagvaard en u wil dat uw zaak aangehouden worden omdat de datum van de behandeling u niet schikt en u wil wel persoonlijk bij de behandeling van uw strafzaak aanwezig zijn dan heeft u dus goede kansen. Een goede onderbouwing en motivering is echter wel een vereiste. Schakel hiertoe dus altijd een advocaat in.

Geschreven door: mr. R.E. (Patrick) Tay

[1] HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2099