Helgers Advocaten

Einde alimentatieplicht bij samenwonen; maar is samenwonen wel te bewijzen?

Het blijkt in de praktijk moeilijk voor alimentatieplichtigen om te bewijzen dat hun ex-partner samenwoont als ware zij/hij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, waardoor het recht op partneralimentatie vervalt. De lat ligt altijd zo hoog, dat het nagenoeg onmogelijk is het samenwonen te bewijzen zonder dat de alimentatiegerechtigde meewerkt. Zelfs het inschakelen van een prive detective helpt meestal niet. In de zaak die onlangs speelde voor het hof in Amsterdam lukte het wel (ECLI:NL:GHAMS:2019:2857).

De feiten

Partijen zijn in 2018 gescheiden. Bij die scheiding is bepaald dat de man € 1.655,– per maand partneralimentatie dient te betalen aan de vrouw. De man gaat in hoger beroep en vraagt het hof onder andere te bepalen dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd en dat de vrouw de alimentatie die zij al heeft ontvangen moet terugbetalen.

De man onderbouwt zijn stelling dat de vrouw samenwoont met de volgende feiten. De nieuwe partner van de vrouw is dag en nacht in de woning van de vrouw en heeft een eigen sleutel. De vrouw en haar nieuwe partner doen samen klusjes in en rondom de woning en nemen zorgtaken voor elkaar waar. Ze brengen ook de kinderen samen naar de zwemles en school. Verder doen ze samen de boodschappen en gaan ze samen met de kinderen op vakantie. Bovendien heeft de dochter van de nieuwe partner een eigen kamer in de woning van de vrouw en is de vrouw zwanger van haar nieuwe partner.

De vrouw weerspreekt de stellingen van de man als volgt. Het is weliswaar juist dat zij een relatie heeft met haar nieuwe partner en dat zij samen een kind verwachten, maar dat betekent nog niet dat er sprake is van samenleven als waren zij gehuwd. Haar nieuwe partner woont immers niet bij haar. Er is dan ook geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Er is ook geen sprake van wederzijdse verzorging. De nieuwe partner heeft daarnaast geen financiële ruimte om haar te onderhouden.

Oordeel hof

Het Hof begint met op te merken dat voor de vraag of sprake is van samenleven in de zin van artikel 1:160 BW vereist is dat tussen hen een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijk huishouding voeren. Het Hof benoemt ook het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten sanctie wat met zich brengt dat de bepaling terughoudend moet worden toegepast. Er mag niet snel worden aangenomen dat is voldaan aan de in de bepaling genoemde vereisten. De sanctie, beëindiging van de alimentatie, is immers vergaand is.

Het hof is van oordeel dat in het licht van de stellingen van de man, de vrouw onvoldoende heeft weersproken dat sprake is van een duurzame en affectieve relatie tussen de vrouw en haar nieuwe partner en dat zij samenwonen. Zij heeft enkel ontkend dat zij en haar nieuwe partner samenwonen en dat er sprake is van wederzijdse verzorging, zonder nader toe te lichten op welke wijze zij en haar nieuwe partner hun relatie vormgeven.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, staat voor het hof vast dat tussen de vrouw en haar nieuwe partner sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard en van samenwoning. Daarnaast acht het hof voorshands bewezen dat de vrouw en haar nieuwe partner elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Met betrekking tot deze beide laatste punten laat het hof de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs.

Of de vrouw daarin zal slagen, is nog maar zeer de vraag.

 

Geschreven door:
mw. mr. Elles Ramakers
Advocaat