Helgers Advocaten

EU-ONDERDANEN: onbeperkt verblijfsrecht in een andere lidstaat?

 

Een burger van een lidstaat van de Europese Unie is op grond van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VwEU) van rechtswege Unieburger. Hiervoor hoeft hij dus niets te doen.

Het wordt pas interessant als dezelfde burger op een zeker moment het besluit neemt om gebruik te maken zijn ‘recht van vrij verkeer’.

Bijvoorbeeld: Op het moment dat een Belg zich in Nederland vestigt zal hij in beginsel moeten kunnen aantonen dat hij beschikt over een geldige (Belgische) identiteitskaart of een geldig paspoort. Als hij hieraan voldoet, heeft deze Belgische onderdaan op grond van artikel 8.11 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van rechtswege rechtmatig verblijf voor de duur van maximaal drie maanden. Dit verblijfsrecht voor drie maanden volgt overigens rechtstreeks uit het Unierecht, namelijk uit Richtlijn 2004/38 EG, ook wel de ‘Unieburgerrichtlijn’ genoemd.[1]

Tot zover verloopt het verblijfsrecht van de Belg in Nederland dus zonder noemenswaardige problemen.

Echter, op het moment dat deze termijn van drie maanden verstrijkt, stapt de Belgische onderdaan in feite een denkbeeldige grens over, namelijk de grens waarbij zijn verblijfsrecht niet langer absoluut is. Nog steeds kan de Belgische onderdaan uiteraard aanspraak maken op zijn vrijheden ingevolge het EU-recht, waaronder het vrij verkeer en vestiging binnen de EU.

Tegelijkertijd valt hij vanaf het moment dat hij langer dan drie maanden in een ‘gastlidstaat’ verblijft onder de werkingssfeer van artikel 7 van de hiervoor genoemde Richtlijn 2004/38 EG. Hiervan is een EU-onderdaan zich, overigens vrij begrijpelijk, vaak niet bewust. Enige aandacht behoeft dit artikel echter wel. Dit artikel vermeldt – kort gezegd – dat een Unieburger na de eerste drie maanden rechtmatig verblijf in een andere EU-lidstaat heeft indien hij aangemerkt kan worden als:

  • Werknemer of zelfstandige;
  • Inactieve; of
  • Student

Dit rechtmatig verblijf kan bijvoorbeeld onderbouwd worden met een arbeidscontract, inschrijvingsbewijs bij de Kamer van Koophandel dan wel een bewijs van inschrijving voor een studie.

Bij een ‘inactieve Unieburger’ valt te denken aan bijvoorbeeld iemand die niet werkt in de gastlidstaat, maar wél beschikt over voldoende bestaansmiddelen.  Mocht een ‘inactieve’ Unieburger echter, bij gebrek aan inkomen, een beroep moeten doen op een bijstandsuitkering (uitkering ingevolge de Participatiewet), dan zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) uiteindelijk een afweging maken in hoeverre dit beroep op de bijstand zich nog verhoudt tot het recht op verblijf in de gastlidstaat. Ook individuele belangen van de persoon in kwestie dienen hierbij afgewogen te worden.

Bij een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel kan het EU-verblijfsrecht uiteindelijk door de IND worden beëindigd met verstrekkende gevolgen.  Dit betekent echter lang niet altijd dat de afweging van de IND hierbij op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

Tegen een dergelijke afwijzing van EU-verblijf kan bezwaar dan wel beroep ingesteld worden. Neemt u dan ook gerust contact op indien u in aanraking komt met vragen omtrent EU-verblijf en mogelijke beëindiging hiervan.

mr. J. (Jakob) Nouta
Advocaat

[1] Zie ook: artikel 7, Richtlijn 2004/38 EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden.