Helgers Advocaten

De (financiële) gevolgen van een ingetrokken verblijfsvergunning

Een ingetrokken verblijfsvergunning gaat vaak samen met veel onrust, stress en bovenal juridische vragen bij de betrokken persoon.

De aanleiding voor een intrekking van een verblijfsvergunning kan gelegen zijn in diverse oorzaken. Zo kan een afhankelijk verblijfsrecht van een partner (gehuwd of niet) ingetrokken worden nadat de relatie wordt beëindigd. Ook kan het verzwijgen van informatie of liegen over gebeurtenissen door de vreemdeling achteraf aanleiding zijn voor een intrekking van het verblijfsrecht.

Aan een voornemen tot intrekking van het verblijfsrecht zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (‘IND’) een onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen. Nadat het voornemen van de IND aan de vreemdeling kenbaar wordt gemaakt, bestaat de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Veelal zal een hoorzitting bij de IND volgen en volgt uiteindelijk een definitief besluit. Indien dit besluit strekt tot intrekking van het verblijfsrecht dan kan vervolgens beroep (bij een asielvergunning) dan wel bezwaar (bij een reguliere vergunning) ingediend kunnen worden.

 

Een recente blik op de jurisprudentie

Onlangs – op 16 maart 2018 – heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een kwestie waarbij de IND eveneens was overgegaan tot intrekking van een verblijfsvergunning.[1] Het was echter niet de IND die als procespartij optrad, maar de Belastingdienst. Ook hier was een intrekking van het verblijfsrecht aan de orde, echter zonder enige verwijtbaarheid van de vreemdeling.

Naar aanleiding van een wijziging in het asielbeleid ten aanzien van Libië, had de IND een aanvraag voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen en de (bestaande) asielvergunning voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken. Dit laatste met terugwerkende kracht tot aan het moment waarop deze vergunning destijds was verleend. Nadat hierover is geprocedeerd, heeft de IND uiteindelijk een nieuw besluit genomen waarbij een reguliere verblijfsvergunning aan de vreemdeling is toegekend. Echter, al met al was er een ‘verblijfsgat’ (een periode zonder rechtmatig verblijf in Nederland) ontstaan tussen de ingetrokken asielvergunning en het moment waarop de reguliere vergunning geldig was.

De Belastingdienst was van mening dat de toegekende toeslagen (denk bijvoorbeeld aan huur- dan wel zorgtoeslag) in de periode tussen het intrekkingsbesluit en de intrekkingsdatum alsmede gedurende het procederen tegen het intrekkingsbesluit ten onrechte zijn verleend. Er volgde een terugvorderings-/herzieningsbesluit van de Belastingdienst. Het hierop volgende beroep werd door de rechtbank gegrond verklaard.

De Belastingdienst stelde uiteindelijk hoger beroep in en de Afdeling kwam tot de volgende conclusie:

Een eerdere koers van de Afdeling was met name gericht op de gevolgen van een ingetrokken verblijfsvergunning bij een kort verblijfsgat tussen twee perioden van rechtmatig verblijf. In 2016 en 2017 heeft de Afdeling hierover geoordeeld dat het begrip “aansluitend” in de zin van artikel 9, eerste lid, Awir, niet zodanig strikt uitgelegd mag worden dat bij een korte periode zónder rechtmatig verblijf terugvordering van reeds toegekende toeslagen door de Belastingdienst zondermeer mag plaatsvinden.[2]

In de aangehaalde uitspraak van 16 maart 2018 voegt de Afdeling hieraan nog een verwijtbaarheidscriterium toe. Dit houdt kort gezegd in dat niet enkel laakbaar handelen van de vreemdeling ten tijde van de toekenning van een vergunning tot terugvordering van toeslagen kan leiden, maar dat ook verwijtbaar handelen nadat de toeslagen zijn toegekend hierbij een rol mag/kan spelen.

Het belang van deze recente uitspraak is met name gericht op de noodzaak om te allen tijde rechtsmiddelen aan te wenden tegen een voornemen tot intrekking van een verblijfsrecht dan wel een daaropvolgend definitief besluit tot intrekking. Concreet betekent dit dus dat de vreemdeling gebruik zal moeten maken van het indienen van een zienswijze, bezwaarschrift en/of het instellen van beroep bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank.

Zodra een vreemdeling geen gebruik maakt van één van de openstaande rechtsmiddelen bestaat een reële kans dat hem verweten wordt niet alles te hebben gedaan om een verblijfsgat te voorkomen. Ook indien een zienswijze, bezwaar dan wel beroep op voorhand ogenschijnlijk kansloos is, bestaat een aanzienlijk belang bij het instellen van rechtsmiddelen, zodat dit u achteraf niet door de Belastingdienst kan worden verweten bij een herzieningsbesluit van reeds toegekende toeslagen.

Geschreven door:

mr. J. (Jakob) Nouta

 

[1] Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 16 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:909).

[2] Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 april 2016 en 29 maart 2017 (resp. ECLI:NL:RVS:2016:969 en ECLI:NL:RVS:2017:828).