Helgers Advocaten

Gezagsbeëindiging en gehechtheid

Gezagsbeëindiging en gehechtheid; aan wie is het kind (meer) gehecht? Aan zijn ouder(s) of aan het pleeggezin of de gezinshuisouders? En wie bepaalt dit? En wat betekent dat voor een traject van terugkeer van het kind naar huis? De aanhouder kan gelukkig nog steeds winnen. Na deze vragen in tig procedures en bij de Hoge Raad namens de moeder aan de orde te hebben gesteld sprak het hof in Den Bosch zich onlangs hierover op baanbrekende wijze uit.

De feiten

De moeder is in 2017 door een uitspraak van de rechtbank het gezag kwijtgeraakt over haar dochtertje, dat toen tien jaar oud was en vanaf haar zesde uit huis was geplaatst.  De rechtbank baseerde zich daarbij op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin onder andere gesteld werd dat de moeder onvoldoende bij de behoefte van haar dochtertje aansloot en dat het meisje inmiddels gehecht leek aan de gezinshuisouders en dat daarom een terugkeer naar huis niet meer aan de orde was. De moeder heeft in de procedure die leidde tot de gezagsbeëindiging over haar minderjarig dochtertje verzocht om een onafhankelijk onderzoek van een deskundige, omdat zij het niet eens was met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, zowel niet wat betreft de feiten als wat betreft de conclusies. De moeder kon het ongelijk van de Raad ook (in ieder geval voor een deel) onderbouwd met stukken aantonen. Desondanks wees de rechtbank haar verzoek om benoeming van een onafhankelijk deskundige af. De rechtbank vond zich namelijk door de Raad voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en beëindigde het gezag van de moeder. De rechtbank merkte ter motivering van haar beslissing nog op dat ook al zou uit een onderzoek naar voren zijn gekomen dat de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden beschikte, dat dat er niet meer toe zou hebben gedaan. Het meisje was inmiddels dusdanig gehecht aan de gezinshuisouders dat een terugplaatsing bij de moeder niet meer in haar belang zou zijn. De moeder liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in waarbij ze opnieuw verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige, omdat haar eerdere verzoek(en) op onjuiste gronden was(ren) afgewezen gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ditmaal verzuimde het hof op het verzoek van de moeder te beslissen hetgeen leidde tot een procedure bij de Hoge Raad en een terug verwijzing naar het hof om alsnog te beslissen op het verzoek van de moeder om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

De beslissing van het hof na terug verwijzing door de Hoge Raad

Het hof oordeelt dat de eerdere verzoeken van de moeder om benoeming van een deskundige op onjuiste gronden zijn afgewezen gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad en dat de moeder een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige heeft gedaan en dat het belang van het minderjarige kind zich niet tegen een onderzoek verzet. Het hof wijst het verzoek dan ook toe en beslist dat er een onderzoek door een onafhankelijk deskundige moet komen, waarbij de deskundige zich niet alleen moet uit laten over de pedagogische kwaliteiten van de moeder en de kind eigen problematiek, maar ook over de gehechtheidsontwikkeling van het kind in kwestie in relatie tot de moeder en de gezinshuisouders.

Deze uitspraak laat zien dat het de moeite loont om door te zetten en is baanbrekend in die zin dat het voor het eerst is dat over de vraag of er al dan niet sprake is van gehechtheid tussen het kind en in dit geval de gezinshuishuisouders een onderzoek plaats vindt door een onafhankelijk deskundige. Tot nu toe werd de stelling van de Raad voor de Kinderbescherming of de Gecertificeerde Instelling over het gehecht zijn aan het pleeggezin/gezinshuisouders vrijwel zonder slag of stoot overgenomen.

 

Geschreven door:
mw. mr. Elles Ramakers
Advocaat