Helgers Advocaten

Grootmoeder in het buitenland… family-life tussen kleinkind en grootouder gemakkelijker aangenomen dan tussen kind en ouder?

Onlangs had ik een zaak waarbij mijn cliënte heel graag wilde dat haar bejaarde moeder uit Thailand bij haar kwam wonen. Moeder, inmiddels weduwe, werd steeds hulpbehoevender en had niemand om op terug te vallen in haar land van herkomst. Cliënte was haar enige kind. Cliënte had inmiddels de Nederlandse nationaliteit en een man en kinderen hier te lande. Van haar kon onmogelijk verwacht worden dat zij haar gezin met schoolgaande kinderen zou “oppakken” en verplaatsten naar Thailand om daar voor haar moeder te gaan zorgen. De angst die cliënte had omdat er niemand was, werd alleen maar groter omdat haar moeder steeds slechter ter been raakte en steeds afhankelijker werd.

De wens van cliënte was dan ook dat haar bejaarde moeder in Nederland zou kunnen komen wonen, zodat cliënte haar kon verzorgen. Op basis daarvan werd een aanvraag voor een verblijfsvergunning bij de IND gedaan.

In eerste instantie wordt ten aanzien van dit soort aanvragen een beroep gedaan op artikel 8 EVRM, het recht op het uitoefenen van “family-life”. Tussen een moeder en haar volwassen dochter in dit geval wordt dan getoetst of er “more than emotional ties” zijn (vergelijk bijvoorbeeld de zaak Javeed vs Nederland EHRM 3 juli 2001, nr. 47390/99. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is enkel en alleen het hebben van een gezinsband niet genoeg om family-life te hebben. Deze “more than emotional ties” – toets is zwaar en wordt in de praktijk bijna niet gehaald. Zo ook dit geval. De IND gaf tijdens de hoorzitting te kennen deze toets in het nadeel van cliënte te laten uitvallen.

Er was in deze zaak echter ook nog een beroep gedaan op “family-life” tussen de kleinkinderen en de moeder van mijn cliënte. Eén van deze kleinkinderen had zelfs gedurende haar eerste levensjaren tijdelijk bij haar grootmoeder in het land van herkomst ingewoond en de band tussen kleindochter en grootmoeder was gedurende het gehele leven van het kind sterk gebleven. Het gezin bezocht grootmoeder in Thailand, grootmoeder had een schengen-visum en bezocht het gezin jaarlijks. Bovendien hadden grootmoeder en kleindochter frequente skype- en whatsappgesprekken.

Zou grootmoeder dan op basis van verblijf bij haar kleindochter wellicht op grond van “family-life” een vergunning kunnen krijgen? Ik kan het antwoord al verraden, dat was “ja”.

Family-life tussen grootouders en hun kleinkinderen mag namelijk niet getoetst worden aan het criterium “more than emotional ties” maar er wordt gekeken naar de feitelijke band die speelt tussen de grootouder en het kleinkind. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft hierover op 5 februari 2015 (ECLI:NL:RVS: 2015:383) al een principiële uitspraak gedaan.

Of familie- en gezinsleven bestaat tussen grootouder en kind, is namelijk een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden zo maakte het Europese Hof uit in de zaak K. en T. tegen Finland (arrest van 12 juli 2001, nr. 25702/94, www.ehcr.coe.int). Zeer zeker als een kleinkind bij de grootouder heeft ingewoond is er al snel sprake van family-life[1].

Heeft u dus een zaak waar het moeilijk is om op basis van een ouder-kind relatie een verblijfsvergunning te verkrijgen, dan is het zeer zeker de moeite waard om na te gaan wat de feitelijke band is tussen grootouder en kleinkind. Het lijkt er op dat de IND die feitelijke band lichter toetst en dat op die grond gemakkelijker een verblijfsstatus wordt gegeven.

Mocht u n.a.v. deze blog vragen hebben dan kunt u gerust contact opnemen met onze sectie Vreemdelingenrecht. Zij staan u graag te woord via 043-3510577.

 

Deze blog werd geschreven door:

mw. mr. M.M.G. (Maureen) Helgers-Crompvoets
advocaat

 

[1] Andere bestendige jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van de band tussen grootouders en kleinkind zijn o.a. Marckx tegen België, arrest van 13 juni 1979, nr. 6833/74, par. 51 van Bronda tegen Italië, arrest van 9 juni 1998, nr. 22430/93, par. 101 van L. tegen Finland, arrest van 27 april 2000, nr. 25651/94 en par. 221 van Scozzari en Giunta, arrest van 13 juli 2000, nrs. 39221/98 en 41963/98, allen te vinden via www.echr.coe.int).