Helgers Advocaten

Recht op tegenonderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv bij uithuisplaatsing?

In de praktijk komt het voor dat kinderen uithuisgeplaatst worden op basis van een onderzoek dat volgens de betrokken ouder(s) rammelt aan alle kanten. De ouders kennen zich en de kinderen niet terug in het onderzoek. Er wordt, zo klagen veel ouders, niet aan waarheidsvinding gedaan. Sterker nog, het lijkt erop dat er naar een doel (de uithuisplaatsing) toe wordt geredeneerd. Maar wat kun je als ouders inbrengen tegen de onderzoeken die door de gecertificeerde instelling (bijvoorbeeld de William Schrikker Groep of Bureau Jeugdzorg) bij de rechtbank of het hof worden ingediend? Een tegenonderzoek kost geld, veel geld. Veel ouders hebben die middelen niet. Heb je recht op een contra-expertise op kosten van de staat als je kind(eren) uitgeplaatst word(t)(en)?

Ons hoogste rechtscollege oordeelde over deze vraag op 12 april jl.  (ECLI:NL:HR:2019:575) als volgt.

De casus

Twee kinderen, geboren in respectievelijk 2014 en 2016 uit een inmiddels verbroken relatie, zijn onder toezicht gesteld (OTS) en uit huis geplaatst. De ouders zijn belast met het gezag over de kinderen.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de OTS en de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarbij heeft de GI de resultaten in het geding gebracht van een bij de moeder afgenomen persoonlijkheidsonderzoek. De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat het perspectief van de kinderen bij de pleeggezinnen ligt. De kinderrechter heeft overwogen dat een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet mogelijk is en heeft de verzoeken van de GI toegewezen.

In hoger beroep vroeg de moeder onder meer om een nader onderzoek door een deskundige op de voet van artikel 810a lid 2 Rv. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kinderrechter. Het hof overwoog dat het zich op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling voldoende voorgelicht achtte om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestond om een nader onderzoek te gelasten.

De Hoge Raad:

“ 3.3.2

Art. 810a lid 2 Rv bepaalt, voor zover thans van belang, dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

3.3.3

Met het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv is beoogd te bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rov. 3.3.2). Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling.

Art. 810a lid 2 Rv spreekt weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook vallen zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.

3.3.4

In de hiervoor in 3.3.3 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.3.3 Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.4 (…)

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.”

3.3.5

Uit het hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 overwogene volgt dat het hof had moeten onderzoeken of het op art. 810a lid 2 Rv gebaseerde verzoek van de moeder voldoende concreet en ter zake dienend was, en zo ja, of het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzette. Nu uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het hof dit onderzoek heeft verricht en het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft volstaan met de overweging dat het zich “voldoende voorgelicht” achtte, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is dus gegrond.”

Samenvatting

Samengevat komt het erop neer dat de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak uit 2014 (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632), oordeelt dat je als ouder ook bij een uithuisplaatsing een beroep kunt doen op het in artikel 801a lid 2 Rv neergelegde recht op een contra-expertise, ondanks dat de tekst van de bepaling uithuisplaatsing niet noemt. De in de uitspraak van 2014 genoemde ratio van artikel 801a lid 2 Rv geldt immers volgens de Hoge Raad ook, en eens te meer, in gevallen van uithuisplaatsing, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling. Deze ratio geldt niet alleen als het gaat om een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling.

 

Geschreven door:
mr. Elles Ramakers
Advocaat